23

Ik weet niet hoe we die nacht hebben kunnen slapen. Nadat de SEH-arts er bij Alex op had aangedrongen de volgende ochtend naar een neurochirurg te gaan, nadat Alex haar aan had gestaard en had geëist dat de arts haar vertelde wat ze precies op de MRI zag, en nadat die zich onttrok aan ons spervuur van vragen door te herhalen dat ze niet gekwalificeerd was om een diagnose te stellen, hadden we eindelijk het ziekenhuis verlaten.

We reden eerst naar Bradleys huis en ik wachtte in de auto terwijl Alex met hem meeliep. Ze bleef nog geen vijf minuten binnen, maar het leek wel een eeuwigheid. Ik leunde tegen de hoofdsteun van de bestuurdersstoel en probeerde te ontsnappen aan het meedogenloze beeld van die twee in Bradleys woonkamer, in elkaars armen.

Toen Alex weer terug was in de auto, vroeg ik: ‘Zal ik je naar huis brengen?’ Ik fronste mijn voorhoofd. Jemig, de hele wereld was vanavond op zijn kop gezet. Wás dat nog wel haar huis?

Alex schudde haar hoofd. ‘Kan ik bij jou slapen bij pap en mam? Ik wil niet alleen zijn. Gary is de stad uit en ik heb mijn spullen nog niet uit het huis gehaald.’

‘Natuurlijk,’ zei ik, ook al wilde ík juist wel heel graag alleen zijn. Maar in de hiërarchie van emoties kon mijn pijn om Alex en Bradley niet op tegen Alex’ doodsangst. Zelfs ik wist dat. En Bradley ook. Ik had de tweestrijd op zijn gezicht gezien toen ze uit de auto sprong om met hem mee te lopen naar zijn huis. Hij wilde mij niet kwetsen, maar hij kon Alex toch moeilijk van zich af slaan. Ik had het op de een of andere manier voor elkaar gekregen om naar hem te knikken, om hem te laten weten dat ik wist dat hij geen keus had.

‘Ik wil niet dat pap en mam het weten,’ zei Alex nu. Ze ademde diep in. ‘Niet totdat we meer weten.’

We hadden uren in het ziekenhuis gezeten en het was nu bijna middernacht. De wegen waren leeg en glad van de lichte regen die gevallen was terwijl wij op de spoedeisende hulp zaten. Alles voelde onwerkelijk, alsof we ons op een verlaten filmset bevonden en de bomen van papier-maché waren gemaakt. We reden door het donker en keken naar het licht van onze koplampen op het wegdek.

Alex verbrak de stilte. ‘Denk je dat dat papa’s wasbeer is?’ vroeg ze. Ze wees naar een dier dat langs de kant van de weg liep.

Pap voerde een intense strijd met een wasbeer die een voorliefde voor zijn afval had. Pap had lampen met bewegingssensors neergezet, geïnvesteerd in twee verschillende soorten afvalbakken en had het erover dat hij een hek zou gaan bouwen, totdat ik eindelijk voor drie dollar een snelbinder voor hem kocht om het deksel van de afvalbak mee vast te zetten.

‘Ik zweer je dat die man op het punt stond om een geweer te kopen,’ zei Alex. ‘Hoeveel kans denk je dat er zou zijn dat hij in zijn eigen teen schiet?’

‘Ongeveer vijftig procent,’ zei ik. ‘Maar over een paar jaar zou het verhaal al zijn veranderd en had de hondsdolle wasbeer tijdens een worsteling het geweer uit papa’s handen getrokken en pap beschoten waarna een gevecht tot de dood volgde.’

Alex probeerde te glimlachen, maar het lukte niet. Ik probeerde iets anders te bedenken om te zeggen, maar er kwam niets. Ze draaide haar hoofd en staarde uit het raam. We reden de rest van de rit in stilte, beiden in onze eigen gedachten verzonken.

‘Ik verzin wel een smoes waarom we morgenochtend weg moeten,’ zei ik toen we stilletjes naar binnen slopen om onze ouders niet wakker te maken. Ik gaf Alex een van mijn T-shirts om in te slapen.

‘Dank je,’ zei ze.

‘Kan ik iets voor je halen?’ vroeg ik. ‘Thee?’

‘Ik denk dat ik gewoon ga slapen,’ zei ze. ‘Ik ben kapot.’

‘Neem mijn bed maar,’ bood ik aan. Pap had Alex’ slaapkamer om een onverklaarbare reden overgenomen als ‘kantoor’ op de dag dat hij met pensioen ging, dus er waren niet veel slaapplaatsen. Ik pakte een kussen van mijn bed om mee naar de bank te nemen.

‘Linds?’ vroeg Alex aarzelend. Met mijn hand op de deurknop bleef ik staan en draaide me om.

‘Blijf je bij me?’ vroeg ze uiteindelijk. ‘Het bed is groot genoeg voor ons allebei.’ Ze glimlachte half. ‘Ik zweer je dat ik niet snurk.’

Wat kon ik daarop zeggen?

‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.

Ik tilde een kant van het dekbed op en kroop eronder. Alex stapte er aan de andere kant in. Ze viel zo snel in slaap dat het leek alsof ze was opgetild en erin gegooid, maar ik lag uren wakker terwijl ik gekweld werd door allerlei beelden: Bradleys gezicht toen hij me vertelde dat hij iemand anders had, de handen van Alex en Bradley naast elkaar op het ziekenhuislaken, de hand van de specialist die zich over zijn borst verplaatste terwijl hij Alex nakeek.

Op mijn laatste avond in New York had Matt me ervan beschuldigd mijn gevoelens weg te duwen. Nou, hij zou me nu moeten zien, dacht ik terwijl ik me omdraaide op zoek naar een comfortabele houding. Ik was in de tijd van een paar uur woest heen en weer geslingerd van uitgelaten naar ellendig naar woedend naar bang. Ik had voor het eerst in mijn leven medelijden met mijn zus en ik was tegelijkertijd jaloerser op haar dan ooit. Ik haatte Bradley, maar ik hield ook nog steeds van hem.

Is dat emotioneel genoeg voor je, Matt, vroeg ik me af terwijl ik naar het plafond lag te staren. Want op dit moment leken die zestienurige werkdagen bij het reclamebureau lang zo slecht niet.

Ik zuchtte en draaide me nog eens om. Over een paar uur zouden we een neurochirurg spreken en erachter komen wat de scans hadden uitgewezen. Misschien zou het allemaal een fout blijken. Misschien was de specialist een religieuze gek die voor iedereen bad die hij ontmoette. Misschien zou de arts zeggen dat Alex een ooginfectie had of een beknelde zenuw. Hij zou haar waarschijnlijk gewoon een recept voor oogdruppels geven en haar op laten krassen zodat hij zich met patiënten kon bezighouden die zijn hulp echt nodig hadden.

Ik keek naar Alex, wier gezicht vredig en ontspannen was in slaap.

Ik wist dat de neurochirurg ons iets heel anders zou vertellen.

De volgende ochtend dronk ik achter elkaar drie koppen koffie in de hoop dat ik de nevel van de enge dromen ermee kon verjagen die me hadden geplaagd tijdens de kleine twee uur dat ik daadwerkelijk geslapen had. Ik wachtte expres tot ik een volle mond had voordat ik mompelend tegen mijn vader en moeder zei dat Alex en ik gingen winkelen.

‘Winkelen?’ Er verscheen een frons op mama’s voorhoofd en ze stopte met zoetstof in haar koffie scheppen. ‘Hoef je niet te werken?’

Ik had waarschijnlijk iets geloofwaardigers moeten verzinnen zoals tractorpulling. Alex en ik hadden nooit van ons leven samen gewinkeld.

‘Jawel,’ zei ik. ‘Ik eh, ik moet een paar advertenties controleren in het winkelcentrum om te zien of ze goed zichtbaar zijn opgehangen.’

‘Gaan jullie naar het winkelcentrum?’ vroeg pap, die nu over zijn sportkatern heen keek. ‘Dan zou ik als ik jullie was de Beltway nemen. Normaal gesproken moet je die kost wat kost mijden – te veel malloten op de weg – maar op dit tijdstip moet het wel veilig zijn.’

‘Zijn alle malloten op hun werk?’ vroeg Alex onschuldig.

Het was haar bijna gelukt. Haar grapjes, de manier waarop ze zich nonchalant op het aanrecht hees. Voor de onoplettende toeschouwer leek ze volkomen onbezorgd, een meisje dat niets anders aan haar hoofd had dan de zoektocht naar de perfecte zomerjurk.

Maar toen sprong ze van het aanrecht en liep naar onze vader toe.

‘Ik hou van je,’ zei ze. Ze hield hem net iets te lang vast. Toen haastte ze zich de keuken uit, maar niet voordat ik een stille traan over haar wang had zien rollen.

‘Lindsey?’ riep mam toen ik Alex achterna wilde gaan.

Ik verstijfde.

‘Ik vind het fijn dat jullie samen gaan winkelen,’ zei ze. Dus ze had Alex’ gezicht helemaal niet gezien, besefte ik tot mijn opluchting. De frons was van haar gezicht verdwenen. Ze geloofde mijn verhaal. ‘Het is gewoon zo… fijn.’

Zo liet ik mijn ouders achter – allebei lezend in een stuk krant, en hun koffiebekers bijvullend met de nieuwe pot terwijl ze zeurden over de weersvoorspelling – blij dat ze nog één normale dag konden beleven.

Een uur later zaten we in het kantoor van een neurochirurg wiens zilverkleurige haar en zware, autoritaire stem zo van een castingbureau leken te zijn gekomen. Zelfs zijn naam, dr. Steven Grayson, leek door een agent uit Hollywood met het oog op de billboards te zijn verzonnen.

Eerst waren we langs Alex’ huis gereden zodat ze zich kon omkleden, daarna hadden we onderweg naar het ziekenhuis Bradley opgepikt. Ik bleef recht vooruitkijken toen hij instapte en kreeg het gek genoeg voor elkaar om met een normaal klinkende stem gedag te zeggen. We werden gedrieën precies op het tijdstip van de afspraak naar de kamer van de neurochirurg gebracht. Dat maakte me zenuwachtig, want artsen liepen toch altijd uit? Was het een slecht teken dat hij ons níét liet wachten?

Alex had amper een woord gezegd sinds we van huis waren gegaan, alsof ze al haar energie had opgebruikt met normaal proberen te doen tijdens het ontbijt. Nu zag ze er zo angstig uit als een bange vliegtuigpassagier die de piloot hoort omroepen dat er hevige turbulentie aankomt. Haar gezicht was lijkbleek en haar handen waren net klauwen die zich in de armleuningen van haar stoel grepen.

‘Ik heb goed nieuws en slecht nieuws,’ begon dr. Grayson.

‘Voor de draad ermee,’ zei Alex. Ik zag haar borstkas snel op en neer gaan onder haar dunne T-shirt.

‘Uit de scans blijkt dat er een tumor op uw oogzenuw drukt,’ zei de arts. ‘Daardoor hebt u problemen met uw perifere zicht.’

De hele wereld werd zo klein als die vijf letters. Tumor.

‘We denken niet dat hij kwaadaardig is,’ zei dr. Grayson. Zijn toon was geruststellend en kalm, alsof hij dit iedere dag deed. Dat was ook zo, realiseerde ik me ineens. Hoe kon iemand dit iedere dag doen? Hoe kon hij met de onverstoorbare autoriteit van een weerman steeds maar weer dit soort nieuws brengen?

‘De medische term is adenoom,’ zei dr. Grayson. ‘Hij zit onder de oogzenuw en duwt er vanonder tegenaan, dat is meestal het gedrag van die tumoren. Daarom hebt u problemen met uw zicht.’

‘Het is geen kanker?’ vroeg Alex.

‘Dat weten we niet zeker totdat we binnen een kijkje hebben genomen,’ antwoordde dr. Grayson, die zijn vingertoppen tegen elkaar plaatste. ‘Maar ik ben er vrij zeker van dat het goedaardig is. Dat zijn hypofysetumoren meestal. We bereiken ze normaal gesproken door de neus. Maar omdat hij vrij groot is en vanwege de plaats, moeten we een craniotomie uitvoeren.’

‘Een craniotomie?’ vroeg ik. Dit ging allemaal te snel, mijn hersens draaiden overuren om het bij te houden. ‘Bedoelt u dat u de schedel…’ Mijn stem stierf weg.

‘We kunnen alleen bij het gezwel komen door de schedel te openen,’ zei de arts.

Het was alsof de arts met het gebruik van onpersoonlijke woorden – ‘gezwel’ in plaats van ‘uw tumor’ – probeerde het nieuws te verzachten. Maar het enige wat hij bewerkstelligde was dat het één of twee seconden langer duurde voordat de betekenis doordrong, als de korte vertraging tussen de woorden van een buitenlandse spreker en de vertaling van zijn tolk.

‘Wanneer?’ fluisterde Alex alsof het uitspreken van dat ene woord haar al haar energie kostte.

‘Zo snel mogelijk,’ antwoordde dr. Grayson. ‘We kunnen de operatie donderdag inplannen. U moet wel weten dat er een kans is dat ik niet de hele tumor kan verwijderen. Als er risico op beschadiging van de oogzenuw is, moet ik misschien een heel klein stukje laten zitten en in dat geval is het mogelijk dat u na de operatie ook nog bestraald moet worden. Maar ik heb de hoop dat dat niet nodig zal zijn.’

‘U wilt over drie dagen al opereren?’ vroeg Bradley. ‘Dat is wel snel.’

‘Waarom zo snel?’ vroeg ik en ik keek op van het blauwe notitieblok waarin ik verwoed alle onbekende termen had opgeschreven. ‘U zei dat het niet dodelijk was. Een adenoom, toch? Dus waarom moet u al over drie dagen opereren?’

‘Dit type tumor geeft veel secundaire complicaties als het tegen de oogzenuw aandrukt,’ antwoordde de arts, terwijl hij Alex recht aankeek. ‘Uw zicht kan blijvend verslechteren als we wachten. Als de massa groter wordt, zal uw zicht almaar slechter worden en zal het moeilijker te redden worden. Op dit moment is de tumor zo groot als een walnoot. Over een paar weken kan het… ingewikkelder worden.’

Ik zag Bradley Alex’ hand vastpakken en ik haatte mezelf dat ik het opmerkte, dat ik de withete steek in mijn borst voelde. Ik wendde mijn blik af en keek achter de arts, naar zijn muur met getuigschriften. Geneeskunde aan de Universiteit van Pennsylvania en Yale. Specialistendiploma’s, vakprijzen en oorkondes. Ik maakte overal notities van zodat ik hem kon nachecken.

‘Word ik blind?’ vroeg Alex.

‘Het is hoogst onwaarschijnlijk,’ zei hij. ‘Ik kan het niet met zekerheid zeggen tot we vanbinnen hebben kunnen zien waar we mee te maken hebben. Maar de meeste patiënten krijgen hun zicht grotendeels of zelfs helemaal terug.’

‘Maar sommige worden blind,’ zei Alex.

‘Het komt voor,’ gaf de arts toe. ‘Ik verwacht niet dat dat bij u gebeurt. In het ergste geval zal uw zicht aangetast worden.’

‘Wat gebeurt er precies?’ vroeg Alex verder. ‘U haalt de tumor eruit en dan wordt alles weer normaal?’

‘Uiteindelijk wel, ja, dat is het doel,’ zei de arts. ‘Zoals ik al zei, kan na de operatie bestraling nodig zijn. En ik schrijf steroïden voor om ontstekingen te remmen.’

‘Oké.’ Alex zuchtte diep. Ze stak haar kin vooruit. ‘We doen het. Haal dat ding maar uit me. Ik wil dat u het zo snel mogelijk doet.’

‘Ik heb nog wat meer scans en bloedtesten nodig,’ zei dr. Grayson. ‘En ik wil dat u deze week ook langs een endocrinoloog gaat. En ik wil dat u meteen naar het ziekenhuis komt als uw zicht verslechtert of als u andere symptomen krijgt. Overgeven, evenwichtsstoringen, dat soort dingen.’

‘Hé, kunt u dat tegen de agent zeggen die me op rijden onder invloed wilde testen?’ vroeg Alex. Ze glimlachte, een brede, opgewekte Alex-glimlach. Hoe kon ze nu in godsnaam grappen lopen maken?

‘Hypofysetumoren zijn helemaal hot in Hollywood,’ zei Alex met haar tv-stem. ‘Als Paris Hilton of Lindsay Lohan wat paparazzi omver rijden of omvallen in een nachtclub, halen ze gewoon hun MRI-scans tevoorschijn en dat zorgt dat ze de gevangenis kunnen verlaten zonder te betalen. Hé, ik start gewoon een trend.’

Dr. Grayson en ik staarden haar alleen maar aan. Stak Alex hier nou de draak mee? Ik wist niet wat ik moest doen. Maar Bradley wel.

‘Alex.’ Hij stond op en pakte haar beet, toen stortte ze in zijn armen in elkaar. Bradley wreef over haar rug en fluisterde iets in haar oor, iets dat zij alleen kon horen, terwijl Alex haar dunne armen om zijn nek sloeg en in snikken uitbarstte.

Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim
titlepage.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_000.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_001.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_002.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_003.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_004.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_005.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_006.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_007.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_008.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_009.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_010.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_011.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_012.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_013.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_014.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_015.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_016.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_017.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_018.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_019.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_020.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_021.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_022.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_023.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_024.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_025.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_026.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_027.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_028.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_029.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_030.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_031.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_032.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_033.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_034.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_035.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_036.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_037.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_038.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_039.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_040.xhtml